Verhalen achter de personen

Mijn belevenissen ‑ Deel I ‑ De oorlog ‑ 1939‑1940

Dit verhaal is nog niet af... Lees het nu al en kom later terug voor de rest!
Aan dit verhaal ontbreken gegevens. Kunt u helpen? Neem even contact op....

"Egodocument" van J.H.Th.J. Westen.

  • Deel 1 mobilisatie - 10 mei 1939 t/m 11 juni 1940. - in bewerking
  • Deel I oorlog - 26 juni 1943 t/m 4 februari 1944. - niet geplaatst
  • Deel II oorlog - 7 februari 1944 t/m 29 juli 1944. - niet geplaatst
  • Deel III oorlog - 1 augustus 1944 t/m 15 december 1944. - niet geplaatst
  • Deel IV oorlog - 22 december 1944 t/m 1 mei 1945. - niet geplaatst

Transcriptie van eigen en NIOD scans door Max Westen.

Voor Harry en Hansje, die hun "lieve pappie" zo lang hebben gemist en die zo veel voor hem hebben gebeden.

De liefde voor zijn land is ieder aangeboren Vondel

De auteur, kort na zijn terugkomst. - Juni 1940.

Relaas van mijn belevenissen tussen 10 mei en 11 juni 1940.

INLEIDING

Ik ben de Korporaal Westen, J.H.Th.J. van de lichting '27. Sedert 29 Augustus '39 ben ik gemobiliseerd in Bergen aan Zee bij mijn eigen 12e Reg. Infanterie.

Dat zijn bewogen dagen geweest, die eerste dagen van de mobilisatie. Bij schitterend zomerweer ben ik hier met honderden lotgenoten via Stavoren-Enkhuizen aangekomen. Drukte van voeding, kleding, indeling en inkwartiering, de afwezigheid van dierbaren en eigen huis en haard, het ongewone van bezigheden en omgeving en daarom en overheen de zenuwachtige spanning om hetgeen in Europa staat te gebeuren.

Maar alles went. Vooral als na twee weken de veldpost eindelijk functioneert en ik een vrijwel dagelijks contact met vrouw en kinderen heb. Nog drie weken later geniet ik mijn eerste verlof. Inmiddels leven we hier primitief maar gezond.

De mobilisatie-brief, waar Harry, toen 1½ jaar, verguld mee was.

Ik geniet van zee, strand, duin en bos, hernieuw oude vriendschappelijke betrekkingen en knoop nieuwe aan. Achtereenvolgens bewoon ik ongeveer alle hotels, pensions en villa's die Bergen aan Zee rijk is. Inmiddels doe ik mijn best, me voor ontwikkeling en ontspanning verdienstelijk te maken en word ik gebombardeerd tot bestuurslid van de inmiddels opgerichte R.K. Militairen vereniging en mede belast met de oprichting van een R.K. Militair tehuis. Bovendien neem ik de functie van directeur-organist van 't zangkoortje op me, dat in 't vervolg de Zondagse H. Mis in 't protestantse Vredeskerkje van Bergen aan Zee zal opluisteren. Daar heb ik dan meteen de "baan" te pakken, waar elk soldaat naar snakt en die me aan 't depôt zal binden, want als de detachementen worden geformeerd en de oude lichtingen uit 't depôt wegtrekken, blijf ik met de andere baantjes-gasten als: putjesscheppers, electriciens, timmerlieden, muzikanten, enz. achter.

Bergen a. Zee. Pierpanderstraat "Mobilisatie 1939"

De voorbereidende werkzaamheden voor 't Militair tehuis verlopen vlot en begin October wordt dit in villa Aquarius geopend, juist enige dagen nadat de nieuwe lichting "biggen" '40 is opgekomen. Dat militair tehuis onder "vader" en "moeder" Jaarsma wordt 't lichtpunt van mijn verblijf in Bergen aan Zee, een waarachtig tehuis voor mij en voor vele anderen met mij, al blijven de verlofdagen in eigen huis bij vrouw en kinderen daar uiteraard nog mijlenver boven uitsteken. De weken, de Zondagen met hun gezongen Hoogmis, de verlofdagen rijen zich nu in deze nieuwe orde snel aaneen.

Ik ben nu als instructeur ingedeeld bij de biggen en maak nog tot tweemaal toe een snoepreisje naar den Haag om een delinquent voor den officier-commissaris te geleiden. 't Verblijf in villa's en koloniehuizen wordt verwisseld voor de legering in 't nieuwe barakkenkamp en niets wijst erop, dat in deze nieuwe sleur der dagen voorlopig verandering zal komen. Natuurlijk wordt er gekankerd, vooral door de oudjes, nu wel steeds nieuwe lichtingen opkomen, maar de oudste lichtingen niet volgens programma afzwaaien.

Sinterklaas ligt al weer weken achter ons en zo naderen we Kerstmis. De ongewone, maar schone stemming van deze Kerstnacht '39 zal me lang heugen. De Nachtmis wordt door een jongenskoortje uit Bergen-binnen gezongen. Klaar zingen hun stemmen het "Et in terra pax". Wat een onwaardeerbare vrede genieten we nog temidden van 't oorlogsgeweld om ons heen. Ik doe mijn best de jongens 't ver-van-huis-zijn te doen vergeten. Een gezellig ontbijt bij kribbe en Kerstboom in 't tehuis en dan in de middag een blij huis-toe met verlof. De Kerstviering in Bergen aan Zee heeft me wel een halve dag verlof gekost, maar ik ben voldaan. Half Januari blijf ik met verlof ziek thuis vanwege een opgelopen hevige angina. Ook Harry en Hansje hebben het zwaar te pakken en zo wordt 't half Februari voor ik naar 't depôt kan terugkeren. Daar is inmiddels 't niet meer verwachte gebeurd: "Ik word toch overgeplaatst!"

Tekening Kerstmis Bergen aan Zee 1939 - Mobilisatie

Op 16 Februari '40 verlaat ik gepakt en gezakt op mijn dooie alleentje en met weemoed in het hart om alles, wat ik hier moet achterlaten en wat me ondanks alles toch lief is geworden, Bergen aan Zee voor goed. Mijn bestemming luidt: "Den Haag", maar op 17 Februari kom ik, na van Porcius naar Pilatus te zijn gestuurd, zoals dat in dienst te doen gebruikelijk is, via Eindhoven, Deurne en Zeilberg in Asten(N.B.) aan. Daar word ik aanstonds gedetacheerd bij de staf van 't 30e Reg. Inf. als korporaal-stukscommandant bij een sectie geweer tegen t.p. (tegen pantser) een eerst sinds enkele weken nieuw ingevoerd wapen in de vorm van een grote mitrailleur en bedoeld als afdoende bescherming tegen aanvallen van pantserwagens. De jongens, die hier bij dit wapen in opleiding zijn, behoren tot het regiment jagers en zijn bijna allen Hollanders. Mijn collega-Korporaals zijn evenmin uit Groningen en de sergeants zijn Brabanders.

't Barakkenkamp "Taets van Amerongen kamp" te Bergen aan Zee.

Luiternant van Weel, onze directe commandant is een Hagenaar, oorspronkelijk van de grenadiers, een slanke vlotte verschijning, donker van uiterlijk, echt 't type van een officier, die door zijn correcte houding boven de troep staat en toch gewild en gezien is bij zijn ondergeschikten. De ±30 manschappen zijn zonder uitzondering broekjes van de lichting '39, die hun eerste oefentijd er nog niet op hebben zitten. Wij 4 korporaals behoren al tot de oudjes, alle vier gehuwd evenals één van de beide sergeanten en de luiternant. De rest van 't stafpersoneel bestaat uit één sectie wielrijders, één sectie verbindingstroepen en de bataljonstrein. Aan 't hoofd van dit alles resideert hier in Asten de Overste Theman een beroeps-bullenbak en donderhond, ijverig geadsisteerd door zijn kapitein, adjudant Kriens, twee heren, waarvoor ik onmiddelijk na aankomst naarstiglijk word gewaaschuw en die ik me voorneem dan ook uit de weg te blijven, zo veel dat in mijn vermogen zal liggen.

Gezicht op Bergen aan Zee 1939

Asten is een flink dorp op ongeveer 12 KM ten zuiden van Helmond, juist op de grens van de Peel, waar ik nu dien in de beruchte Peel-divisie. Ik ben er bij mijn overplaatsing gekomen met een prop in de keel, van de ene kant omdat ik hier nu dus als enige Groninger zo ver van huis ben en van de andere kant, omdat ik als 't ware een voorgevoel heb dat ik er bij een eventueel conflict bar slecht voor kom te zitten. Ik heb een paar dagen nodig om me in mijn nieuwe situatie wat in te leven, maar dan valt 't nogal mee. De dienst beslaat zo ongeveer uitsluitend uit theoretische en practische kennis van en omgang met dit nieuwe wapen. Ik ben met den korporaal Joosten ingekwartierd bij de Wed. Martens op de Markt. Ik heb er een eigen kamertje en een goed bed. De burgerij leeft er met de soldaten mee, een heel verschil met Bergen aan Zee, waar we geheel op onszelf waren aangewezen, omdat een burger er tot de zeldzaamheden behoorde.

2x bidprentje 1 man, en 1 vrouw

Einde Maart wordt de opleiding onderbroken door een pionier-karwei dat de Staf 30 R.J. krijgt uit te voeren in Neerkant(L). Een veertien dagen lang trekken we nu elke morgen per vrachtauto daarheen, om er een ondergrondse hulpverbandplaats te graven achter de stellingen. Een geweldige kuil wordt dat: 18m lang, 12m breed en 3½m diep, gelegen midden in een klein bosperceel. Of er ooit een bomvrij hospitaal in zal verrijzen?

Tekening kuil hulpverbandplaats Neerkant

Intussen heb ik kennis gemaakt met de familie v.d. Heijden, mensen zonder kinderen. Hij is hoofd van de school in Ommel, een gehucht 3km van Asten en een oud bedevaartsoord van O.L.Vrouw. Als in April 't verlof voor de zoveelste maal plotseling wordt ingetrokken, nodigen ze me uit mijn vrouw en kinderen te laten overkomen en een paar dagen bij hen te komen logeren. Dat gebeurt zo spoedig de internationale toestand wat minder dreigend wordt.

Mijn vrouw komt met Harry en we beleven er in April een paar gouden dagen bij schitterend weer. Een onvergetelijke middag zoals we toen van Asten naar Ommel zijn gegaan om daar onze beêvaart te doen, Harry voor ons uit dravend tussen de groeiende velden in de zonneschijn. Sedert dien heb ik me ook na 't vertrek van mijn vrouw en ons knaapje in Asten bijna thuis gevoeld.

Fotos processie en kerk Ommel Foto interieur kerk Ommel ~1939

Ja, Asten is een goed Brabants dorp met goede Brabantse mensen, hoeveel we er ook gekankerd hebben en de hele zaak verwenst om toch maar weer voor goed on eigen huis terug te komen.

HOOFDSTUK I

't Verlof zit wéér vast en er worden voorzorgsmaatregelen getroffen als nooit te voren, de wacht wordt uitgebreid en 't aantal posten verdubbeld. Er komt zelfs een dubbelpost voor 't regimentsbureau, elk met een gecyclostyleerd1 papier in de zak met voorschriften, kenne-gedropen uit de pen van onzen Overste. "De eerbewijzen moeten zo overdreven correct worden uitgevoerd, dat ze ieders achting afdwingen.", is één van de stijlbloempjes uit dit stuk, dat overigens handelt over: hakken trappen, model schilderen, afstanden en aantallen passen, die de posten moeten afleggen en meer van zulke fraaiigheden. We vinden 't belachelijke poppekast, alsof daarvan onze veiligheid en neutraliteit zou afhangen en dat terwijl 't zonderling rustig is. In de kranten staat niets bijzonders, alleen een maatregel, waarbij bepaalde personen worden vastgezet. Van Dinsdag op Woensdag op Donderdag word ik belast met de telefoonwacht in 't bureau van den administrateur in de Molenstraat. Ik krijg een soldaat toegevoegd om eventuele boodschappen verder te brengen. 't Bureaupersoneel loopt gewapend; dat hebben we nog niet meegemaakt.

De eerste nacht verloopt rustig, alleen tegen 3 uur in de morgen een bericht, waarbij de vernietiging wordt bevolen van alle persoonlijke, geheime en zeer-geheime stukken, voor zover niet onmiddelijk voor gebruik nodig, zulks te doen op 't moment, waarop de vijand de grens overschrijdt. De soldaat Zevenbergen en ik kijken elkaar aan, er gaat toch een lichte huivering door me als ik 't bericht herlees. Ik geef Zevenbergen op, aanstonds den sergeant-majoor te waarschuwen. Hij komt terug met de boodschap, dat de majoor heeft geantwoord voor die flauwe kul niet uit zijn bed te komen, want zo'n bericht had ie bij vorige gelegenheden ook al gehad en toen was er geen vuiltje aan de lucht geweest. Wij herademen.

Om half negen 's morgens komt 't burgerpersoneel en wij trekken af naar bed tot een uur of drie. Ik bemerk meteen, dat er geen ochtendappèl en geen dienst is, want de hele staf is òf op wacht, òf komt van wacht, zoals ik, òf moet vanavond op wacht. Woensdagmiddag 8 Mei ben ik vrij en ga ik visiten bij v.d. Heijden. Om 7 uur ben ik weer op 't bureau, waar ik verneem, dat we a.s. Vrijdagmorgen naar de Neerkant gaan voor een paar dagen oefenen in de stellingen. In 't midden van de volgende week zullen we terug zijn. De avond en de nacht verlopen rustig zonder één alarmerend telefonisch bericht, alleen worden om ±8 uur uit Den Bosch nog twee splinternieuwe stukken geweer t.p. bezorgd, maar zonder onderstellen. Onze sectie heeft er nu dus 3. Er zijn wel houders, maar geen patronen bij. Luit van Weel komt de zaak inspecteren. Ik breng de hele nacht door met raadsels opgeven, moppen tappen, enz. Zevenbergen tikt op de schrijfmachine een vers uit mijn bundel "Ruize-rijmen" van Charivarius over 't gruwelijke van de oorlog over en ik doe tegen de morgen een vergeefse poging een brief op de machine naar huis te tikken d.w.z. 't tikken gaat wel, maar 't lint is juist op en ik kan 't niet goed teruggedraaid krijgen.

Weer slapen van 9 uur 's morgens tot 3 uur 's middags. Dan pak ik mijn ransel en maak mijn uitrusting in orde voor de oefening, die morgenvroeg zal beginnen. Alleen 't hoognodige hoeft meegenomen te worden: wat handdoeken, een verschoning, mijn scheergereedschap; de rest blijft in 't kwartier, we komen immers spoedig terug! Mijn tentzeil leg ik klaar, om daar morgenvroeg na 't opstaan mijn beide dekens in te pakken, want die moeten ook mee. Mijn particuliere spullen pak ik in mijn koffertje, zodat ze niemand in de weg zullen liggen, terwijl ik weg ben. Tegen de avond ga ik naar v.d. Heijden, waar de dames de Vent, moeder met twee dochters-onderwijzeressen al op bezoek zijn. Er is gebak en de avond is om voor we 't weten. Ik ga vroeg naar bed, want morgen is 't appèl al om zeven uur. Ik slaap in met de gedachte aan een paar dagen primitieve legering ergens buiten, maar we zullen spoedig terug zijn en dan zal 't bijna weer tijd zijn voor mijn verlof en mijn reis naar huis, naar Ansje, Harry en Hansje.

HOOFDSTUK II

10 Mei ± half vier. Ik word, zeer tegen mijn gewoonte in, wakker terwijl 't nog donker is. Er is een ongewoon lawaai zowel ìn als bùiten 't huis. In huis schijnen er al enkelen op te zijn en buiten hoor ik nu een dof gedreun in de verte. Ik ga uit bed en bemerk bovendien 't geraas van vliegtuigen. Voor mijn raam is er wel niets van te zien, maar op de markt staan al mensen in de eerste ochtend-schemering omhoog te turen. Ik schiet haastig in de kleren en als ik daarna de deur van mijn kamertje uitga, komt Juffr. Martens de trap op. Met horten en stoten verteld ze dat we in oorlog zijn met Duitsland; dat de Duitsers 't vliegveld Eindhoven bombarderen; dat bij Venlo de brug al in de lucht gevlogen is en dat de lucht zwart ziet van Duitse vliegtuigen. Nu weet ik meteen, wat dat doffe gedreun betekent. Al dat nieuws weet Juffr. Martens al via de radio en nu hoor ik beneden ook duidelijk de stem van den omroeper en stukken van berichten. Er is geen twijfel meer mogelijk: de hel van de oorlog is over ons losgebroken en ik zit er midden in! Ik krijg een huilbui en begin luidop te bidden, vervuld als ik ben met gedachten aan mijn vrouw en kinderen. Juffr. Martens wekt Joosten, die in de kamer naast de mijne slaapt en ik loop helemaal van streek naar beneden en de deur uit. Daar is half Asten al op de been. Ieder weet iets en langzaam begint de situatie tot me door te dringen. Sergeant van Grinsven komt ons per fiets waarschuwen ons onmiddelijk klaar te maken voor vertrek. Eerst kan er nog gegeten worden in 't patronaatsgebouw. Ik heb weinig meer te pakken dan mijn dekens.

Joosten komt nu ook doodsbleek en ontdaan beneden en ik word bij de buren voorzien van een kop thee en een paar beschuiten, die ik haastig naar binnen werk. 't Geraas en gedreun duurt voort, maar ik kom inmiddels wat tot bedaren. Als 't dan toch moet wezen, dan in Godsnaam en dan ken ik mijn plicht. Op 't Koningsplein is 't precies als op de markt. Overal mensen in groepjes voor de huizen, zenuwachtige gesprekken en bleke gezichten. Bij 't H.Hartmonument loopt onze aalmoezenier op z'n eentje heen en weer. Ik bedenk me geen ogenblik en vraag hem om te biechten. Heen en weer lopend regel ik mijn zaakjes met O.L.Heer en vraag na afloop van de absolutie om zijn priesterzegen voor mij en mijn gezin.

acte van volmaakt berouw voor in oorlogsboekje

Ik was ongetwijfeld de eerste, maar aanstonds komen er meer, die me op een afstand hebben bezig gezien. Ik voel me rustiger worden; er komt zelfs een soort vastberadenheid over me, die ik niet had verwacht en waar ik zelf me inwendig over verbaas. Ik trommel wat etenhalers bijeen en trek af naar de keuken. Terwijl in de eetzaal vlug een paar sneden kuch gegeten en wat ingepakt voor onderweg. Er wordt weinig gesproken, ieder heeft nu aan zichzelf genoef. Bij alle narigheid en onzekerheid is 't ons allen een troost dat luiternant van Weel met ons meegaat, want, wat beraamd werd als oefening, gaat nu werkelijkheid worden. Ik dwaal voortdurend met mijn gedachten naar huis, terwijl ik mijn uitrusting omhang en als één van de eersten gewapend en gepakt door 't dorp ga. De burgers kijken me aan en groeten stil als ik voorbij ga in de richting van 't regimentsbureau. In korte tijd is daar de helft van de sectie present. De kapitein-adjudant Kriens komt naar buiten en dondert ons toe onder de bomen te blijven, vanwege de vliegtuigen, die nog steeds in groepen over ons heen trekken. Er verschijnt een motorordonnans met de boodschap, dat we verkeerd zijn en in de Molenstraat bij 't administratiebureau moeten komen. Dat is nu weer echt "dienst": order en tegenorder!

Als ganzen op een rij trekken we over de berm van de weg en vlak langs de huizen heen. In de Molenstraat staan twee van onze vrachtwagens klaar; de stukken t.p. zijn er al pgeladen in kisten en er zijn nu ook 200 brisant-patronen bij. Luit. van Weel verschijnt, correct en kalm als altijd. Er wordt appèl gehouden. Eén ontbreekt er, nadat onze Veeris, een halfbloed uit Aruba, altijd eigenaardig slordig en op 't nippertje, nog als laatste is gearriveerd. Er blijken enkelen niet gewekt te zijn, dat kon met den vermiste ook 't geval zijn. Twee man gaan er op uit; komen a spoedig terug met de boodschap, dat van Keeken spoorloos is en zijn bed onbeslapen. Zijn kostbaas beweert, dat ie de bossen is ingegaan, maar wij weten nu al beter: hij is natuurlijk net als de vorige maal bij 't intrekken van 't verlof stiekum naar Rotterdam gereisd. Juffrouw van Keeken, zoals ie werd genoemd om zijn meisjeshaar, is dus onze eerste deserteur. Volkomen voorstelbaar! Zijn naam wordt doorgegeven aan 't strafbureau en wij worden opgeladen.

Ik sta nog een ogenblik naar 't huis van v.d. Heijden in de Molenstraat te kijken, waar ik nog maar zo kort geleden onbezorgde, gelukkige dagen heb beleefd met Ansje en Harry. 't Is er rustig, niemand buiten. Zouden ze 't daar al weten? Zal ik er nog even heen gaan? Beter niet, ik maak 't er voor me zelf maar weer minder mee. Ik stap resoluut in de wagenbak. We rijden; niemand weet precies waarheen. Even zie ik mijn kwartier als we de markt overgaan door een spleet het flapperend dekkleed. De jongens zijn stil zonder de luidruchtigheid van anders.


De sectie t.p. van Staf 30 R.J.
"Tableau de la troupe" op 10 Mei 1940

Commandant:
res. 1e Luiternant D.J. van Weel
   
Sergeants:
J. Blommers
van Grinsven
   
Korporaals:
H. Joosten
J. Heida
de Vries
J.H. Westen
   
Manschappen:
A. Beekman J. Trijzenaar
Benjamins Veeris
Bloem J. Verasdonk
Boeters J. Verdam
van Buren Vijl
Donkel H. Wijdoogen
van Geest Zevenbergen
Heemskerk B. van Zuilen
van Keeken Bezuijen
J. ter Kuile J. Schepers
A. Kuipers A. v.d. Heiden
J. Kortman Bezuijen
C. Molenaar
A. Naastepad
A. Poptie
Th. Schouten

Ik zit op de bodem van de wagenbak met mijn geweer tussen mijn opgetrokken knieën. Naast me staat een munitiekist. Een los woord van deze en gene, brokken van de laatste berichten. Ieder is beklemd. De jongens kennen deze weg naar de Neerkant op de Limburgs-Brabantse grens. Hoe vaak zijn we hier langs gegaan in dezelfde vrachtauto om daar te gaan pionieren. We passeren een contrôlepost en kunnen er nu zowat zijn. De wagen rijdt een zijweg in en we stoppen bij een boerderijtje. Uitstappen! De stukken worden afgeladen en onze pakken dekens op stapels gelegd. De kisten munitie gaan open en ik zie voor 't eerst de projectielen, die we zullen moeten gebruiken, 't zijn knapen van ½kg en ze moeten van lichtspoor zijn voorzien. We tellen ze uit, terwijl Luit. van Weel met een kapitein onze opstelling bespreekt. De indeling is nu als volgt: Sergt. Blommers en Sergt. van Grinsven elk een stuk met 10 manschappen en een korporaal.

bidprentje Adrianus Maria Naastepad

Van 't derde stuk word ik de commandant met Korp. Joosten, mijn kwartiergenoot, als opvolger en de nog resterende 10 manschappen. We gaan naar onze opstellingsplaats. Blommers en v.Grinsven krijgen een plaats in de bosrand links en rechts van ons, ik moet vóór die bosrand nog een 200m 't open veld in, waar me een oude pag. stelling wordt aangewezen. Luit. van Weel gaat mee, maar laat me dan verder de vrije hand. Joosten heeft al een paar dagen over zijn arm geklaagd, die hij nu in verband heeft. Overigens is hij nog zo van streek, dat van hem zo goed als niets te verwachten is. Ik begin met me ter plaatse te oriënteren.

De stelling, waarin we ons bevinden, loopt zigzagsgewijs van Oost naar West met 't front hoofdzakelijk naar 't zuiden. Recht voor me uit heb ik de toren van Meijel, vandaar komt een weg met een flauwe bocht op ons toe, om vlak voor de stelling naar links af te buigen.

Langs deze weg zullen we den vijand zeker kunnen verwachten, want dit is de verbinding van Roermond met Helmond en Eindhoven. Rechts van me op een 40 pas afstands staat een betonnen Kazemat met een zware mitrailleur, terwijl links van me een lichte mitrailleur in stelling ligt. Vlak voor onze uiterste stellingen loopt eveneens zigzagsgewijs de prikkeldraadversperring met een diepte van 2 à 3 meter en daarvoor 't mijnenveld met een diepte van 20 à 30 meter. Onze opstelling ligt op een helling, die van de bosrand achter ons langzaam glooit naar de weg, zodat we deze lager liggende weg prachtig kunnen overzien.

In de Kazemat naast ons is een afstandstabel, waaruit ik kan opmaken, dat ik met een vizierstand tussen 400 en 500m de hele weg kan bestrijken. Dat is een ideale positie en ik gelast twee man 't suk in stelling te brengen. De bijna flegmatieke Kortman wijs ik daarop als schutter aan. Achter me heb ik op 2 à 300m de bosrand, waar in de rest van het bataljon is opgesteld en waar zich ook recht achter me via een gele zandvlek de communicatiepost moet bevinden.

Stelling bij Meijel met kazematten

Aan deze stellingen is meer dan 8 maanden gewerkt en hoewel niet diep, komt 't me voor dat ze vrij stevig en solide zijn. Er kan vanuit elk punt flankvuur worden gegeven en zo niet onneembaar, zal de vijand er een hele kluit aan hebben. Dat 't er tegen die tijd, misschien vandaag reeds, heet zal toegaan, verheel ik me geenszins. De manschappen zijn vol goede moed, omdat ze weten dat hier kennis noch kosten aan gespaard is. Het ons aangewezen opstellingspunt, waarin we nu zitten, is een brede loopgraaf ± 20m lang met een diepere schuilloopgraaf er parallel achter. In de uiterste hoek van die schuilloopgraaf is een schuilnis met wat stro erin. Daarin kan eventueel wat gerust en geslapen worden, maar meer dan een man of vier gaan er zeker niet in.

De eigenlijke gevechtsloopgraaf is met zandzakken versterkt. Een opening, waarvoor vroeger 't stuk pag moet hebben gestaan, laat ik met overtollige zandzakken van elders dichten en ik stuur twee man uit om daar een zandlichaam tegen op te werpen. Ik controleer de opstelling van 't stuk en wijs de geweerschutters hun plaats aan, terwijl Joosten moedeloos op de munitiekist zit te roken. Dat is iets wat ik zelf ook niet kan laten: ik steek de ene cigaret met de andere aan. Ik voel me verantwoordelijk voor deze jongens en deze regelingen en bezigheden verzetten mijn zinnen wat. 't Is pachtig weer en ik kan me nu ineens niet voorstellen, dat we hier op leven en dood zullen moeten vechten.

De weg vóór ons is leeg, maar verder achter ons zijn nog lange files geëvacueerden te zien uit de dorpen en boerderijen vóór de stelling. In en bij die boerderijen kan ik nu enkele manschappen bezig zien met ze op te ruimen door er de brand in te steken. Rechts van ons gaat plotseling een landmijn de lucht in en tevens één van de mannen van ons bataljon. Dat is dus nu al de eerste gesneuvelde...... 't Dreunen in de verte is nu wat geluwd om plaats te maken voor 't geknetter van brandende boerderijen. Eerst één spoedig meer. Een vrachtauto aan de kant van de weg brandt ook al evenals een achtergebleven auto van 't destructiebedrijf. Intussen blijven de vliegtuigen boven ons voorttrekken, zonder echter iets op ons te ondernemen, wel moeten we zo nu en dan 't werk onderbreken om ons te dekken.

Een akelig geluid is ook 't voortdurend geloei van 't vee, dat op 't land is achtergebleven en niet op tijd is gemolken. Eén koe heeft blijkbaar de afrastering verbroken en komt op ons af door 't mijnenveld. We staren er onbewogen naar, elk ogenblik verwachtend, dat ze in de lucht zal vliegen, maar ze bereikt 't prikkeldraad en een paar manschappen loodsen haar er door en brengen haar achteruit. Een intendance-koe!

't Is nu inmiddels negen uur. Een ordonnans komt me namens Luit. van Weel vragen of ik de prop wel uit de loop van 't stuk heb laten halen. We kijken; zowaar, hij zit er nog in. Hij brengt meteen een paar radio berichten: De Maaslinie houdt stand; parachutisten in Holland, zelfs in de Bosjes van Poot in Den Haag, allemaal neergelegd, Frankrijk en Engeland zullen ons helpen, Italië moet Duitsland de oorlog hebben veklaard. We leven weer wat op, maar ik zeg mijn manschappen niet te veel op steun van buiten te rekenen en hier onze eigen boontjes te doppen. De boerderijen staan nu in lichte laaie, toch stom, want zo kan elke vliegenier 't verloop van onze stellingen waarnemen.

Luit. van Weel komt even de toestand opnemen. Alles is in orde, maar daar, waar we de bocht van de weg in 't vizier krijgen, staan een paar boompjes in 't gezichtsveld. Opruimen dus. Een paar van mijn mannen gaan met een gids uit de kazemat door 't mijnenveld heen om ze om te kappen of te zagen. Er komt nog een bus petroleum aan te pas evenals aan een veel groter bosperceel wat meer naar rechts, dat eveneens in vlammen opgaat. Luit. van Weel zegt ons toe voor cigaretten en chocolade te zullen zorgen. De cantineknecht, die er mee komt, neemt straks ook nog post mee.

Ik leen een briefkaart om nog vlug een laatste woord naar huis te schrijven. Maar wat moet ik schrijven op een briefkaart, terwijl ik wel een boekdeel zou kunnen vullen? Dit is mijn laatste bericht naar huis misschien en 't wordt dus een afscheid, zo nodig zelfs voor 't leven. 't Valt me onnoemlijk zwaar en de tranen komen me in de ogen, zodat ik mijn gekrabbel bijna niet meer kan lezen. Ik schrijf mijn vrouw, dat ik mijn plicht zal doen; dat haar dat een troost moet zijn, als ze niets meer van me hoort en dat ik met vertrouwen 't lot van mijn jongens in haar handen leg om ze groot te brengen voor God en Vaderland. A Dieu.

Ze schrijven allemaal, wie weet voor hoevelen van ons voor 't laatst. Ik stop de kaart in mijn portefeuille, klaar om hem straks mee te geven. Ik overzie de toestand eens, terwijl 't nu om ons heen veel rustiger is geworden. Ik heb geen tijdelijke zaken meer te regelen, mijn eeuwige heb ik met O.L.Heer geregeld. Tragisch, dat ik in 't begin van de week voor mijn vrouw een taart en bloemen bestelde voor 12 Mei, voor Moederdag. Zal ik zelf dan nog in leven zijn? Ik bid, ik kan de hele tijd wel bidden. Ik haat niemand, denk ik dan, zelfs den Duitser niet, maar ik zal mijn plicht doen als een goed soldaat. Ik heb me volkomen verzoend met de idee, dat ik hier zal moeten vechten en sterven.

De man met de cigaretten arriveert, terwijl ik in de schuilnis wat lig te rusten. 't Blijkt dat we ze moeten betalen. Voor mijn laatste geld koop ik 2 pakjes "Silver City" van 13ct, een volmaakt onbekend merk voor me.

Pakje cigaretten "Silver City" (uit dagboek Jan) Pakje cigaretten "Silver City"

De zaak is nu geregeld en ik kan mijn mensen wat rust gunnen, want 't is onzeker of we vannacht wel zullen slapen. Twee mannen blijven op post, één bij 't stuk en één als piketwacht. Ik stel een regeling van de wacht voor, die aanstonds ingaat. Mijn briefkaart is verzonden, zal ze mijn huis ooit bereiken? Mijn zenuwen zijn gespannen tot 't uiterste. Zo nu en dan horen we detonaties van springende bruggen; ik verbeeld me, steeds dichterbij. De boerderijen knetteren nog steeds; van een enkele staan alleen nog de kale muren.

Inmiddels is bekend geworden, dat er bij Liessel een Duits vliegtuig met een geweerschot is neergehaald. Bij 't neerkomen moet het door de jongens achter de mitrailleur met kogels zijn doorzeefd. Sedert ratelen onze mitrailleurs als er voldoende laag vliegtuigen overvliegen. Ook heel wat geweerschutters proberen 't kunststukje. Kortman, onze scherpschutter, waagt er ook een schot op. Ik geef strikte orders daarmee op te houden, want 't kan enkel dienen om onze positie te verraden.

Ik krijg extra geweermunitie en verneem meteen, dat we ons hier in de uiterste-weerstandsstrook bevinden. Dat wist ik buitendien reeds, want achter ons is er in heel Brabant geen tweede linie. We zullen den vijand hier dus kost wat kost moeten houden. Als 't ernst wordt zullen we hier afweergeschut tegen vliegtuigen nodig hebben en waar blijft ons zwaar geschut? Zo wordt 't twee, drie uur in de middag als 't bericht komt, dat de Maaslinie is bezweken bij Venlo en dat de vijand ook reeds in Haelen aan deze zijde van Roermond is. Daar had ik tijdens de a.s. Pinksterdagen heen willen fietsen om een oude kennis op te zoeken.......

Dat wij na de val van de Maas-linie nu 't uiterste front vormen, denk ik er voor mezelf maar bij. Er kan nu eten worden gehaald en op de terugweg kan tevens 't nachtleger worden meegenomen. 't Eten bestaat uit wat koude capucijners met een stuk uitgebraden spek. We eten maar weinig en zwijgend. Ik maak een wachtrooster op voor de nacht, maar een uur later is dat al niet meer nodig, want er komt een xommando: "alle man in de stelling.".

In 't voorterrein worden nu vluchtende of terugtrekkendedelen van 41 R.J. verwacht an 't duurt niet lang of er meldt zich een colonne wielrijders. Ik heb geen kijker en kan dus niet uitmaken of we vriend of vijand voor ons hebben. De openingen in de versperring vóór ons zijn in de voormiddag al gedicht en in de landwegen erdoor zijn mijnen ingegraven. Hoe die terugtrekkende troepen er nu binnen moeten komen is me een raadsel, maar van mij wordt de oplossing daar voor ook niet gevergd.

Luit. van Weel komt van tijd tot tijd. Hij vertelt me, dat ik de enigste stelling t.p. heb, die behoorlijk vuur kan uitbrengen. De beide andere stukken zijn bijna tot werkeloosheid gedoemd, omdat ze te ver achteruit zitten. Dat heb ik altijd al gedacht, dat dit wapen in de allereerste linie thuis hoort en dat we daardoor ook 't eerst de pisang zijn. Op 1200m zoals nu de anderen zitten is 't doordringingsvermogen van onze patronen nihil. De hele zaak is dus wat betreft afweer van tanks geheel op mijn groep en mijn commando aangewezen. De luiternant zal zo nodig onmiddelijk assisteren, maar ik heb geheel de vrije hand.

Met het oog op de komende duisternis moeten de richtmiddelen voor de nacht in orde worden gemaakt. Ik laat de nachtverlichting van 't vizier aanbrengen en laat op een paar meter voor ons een paar piketpaaltjes slaan, die ik van boven met een witte zakdoek laat omwinden. Vurende over die witte zakdoek moeten we dan de bocht van de weg treffen ook al is die niet te zien. Na enig passen en meten klopt de zaak als een bus. Weer begint nu 't wachten. Ik ga intussen mijn uitrusting wat veranderen en stop o.a. een paar sokken in mijn eetketel.

De duister begint te vallen als aan de overzijde mitrailleurvuur wordt afgegeven. Op 't zelfde ogenblik begint 't lieve leven ook bij ons. Ik heb nog geen Duitser gezien en waar er nog geen tanks verschenen zijn, neem ik met mijn groep een afwachtende houding aan. Naarmate 't donkerder wordt controleren we voortdurend onze richtmiddelen en spoedig zitten we in volslagen duisternis. Nu is aan de overzijde duidelijk mondingsvuur te zien. Ook blijkt nu een fout van onze opstelling: de loopgraaf is te breed en de rugweer niet hoog genoeg. Zo nu en dan valt eigen mitailleurvuur in onze stelling. Dat wordt dus dekken voor eigen vuur, een nieuwe moeilijkheid.


Verder afmaken vanaf Bladzijde 49


Pagina 111a: Tekening op de omslag: "Uitzicht door het prikkeldraad in Soest(Westfalen)" Uitzicht door het prikkeldraad in Soest(Westfalen)


  1. Gecyclostyleerd = gestencild; gekopieerd zie Cyclostyle ↩︎

Geen reacties